EEN HERWAARDERING VAN DE ESTHETIEK

Waarom is het toch dat de esthetiek (de kunst van het Mooie waarderen, het mooi zijn en het mooi maken) in een kwaad daglicht staat, een misdadig karakter toegeschreven wordt? Is het omdat zij zich onttrekt aan maatschappelijk oordeel, of liever: een maatschappelijke consensus? Zij zich schuldig maakt aan een grove verontachtzaming van de ethiek ? De ethiek van de samenleving ? of is het dat zij een ethiek van het individu impliceert tegenover de ethiek van de samenleving ?

De beul die geniet van het lijden van zijn slachtoffers heeft de kunst, de esthetische kunst, altijd in verlegenheid gebracht. Te gemakkelijk is het voorkomen van dergelijke vormen van esthetisch beleven afgedaan als ‘onecht’. Temeer daar de kunst zich vaak bevindt op de scheidslijn van het maatschappelijk aanvaardbare, het begrijpelijke. Wellicht valt de moordenaar daar buiten. Of wellicht ligt de oorzaak van dit pijnlijk probleem (pijnlijk voor de navolgers van het Schone, aangezien ipso facto deze daad van navolgen slechts Schoon kan zijn), erin dat er onterecht geen onderscheid gemaakt wordt tussen kunst en esthetiek? Kunst vervult een rol, maatschappelijk, sociaal of anderszins, terwijl het doel van de esthetiek in zichzelf besloten ligt. Neemt niet weg dat esthetiek dus voor een samenleving verwerpelijk kan zijn. Kenmerk van het schone is dus dat het een subjectieve ervaring is. Tenminste, als zij niet ten prooi valt aan de filosofische drang het Absolute te benoemen. Kenmerk is ook dat zij niet-maatschappelijk kan zijn, niet-sociaal.

Als het begrip ‘het Schone’ niet te omschrijven is, haar beleving voor een samenleving verwerpelijk kan zijn, wat houdt zij dan in ? Haar voornaamste kenmerk is streven, het onvoorwaardelijk en absoluut streven. In die onvoorwaardelijkheid ligt haar mogelijke anti-, of liever niet-maatschappelijkheid, in het streven een individueel doel, namelijk dit streven zelf. Het ‘beeld’ waarop men dit streven projecteert (het schone) is de individuele verwerkelijking ervan.

Het is in dit beeld dat de sleutel ligt tot een meer objectieve veroordeling van ‘esthetische’ excessen. Zonder meteen een poging te doen het Schone te definiĆ«ren (een onmogelijkheid) is het mogelijk haar te situeren aan de hand van wat zij niet is. Zij is niet twee-dimensionaal, dat wil zeggen iedere verwoording of andersvormige positionering van het schone kent een element dat buiten het individu ligt. Het ongrijpbare, het eeuwige, het absolute. Geef het beestje een naam. Ieder streven naar schoonheid kent een element van opoffering, van lijden. Het schone beleef je niet, je doorleeft het. Het streven vereist een oprechte zelfopoffering gekoppeld aan een voortdurende inspanning en concentratie. Het simpele najagen van genot, de bevrediging van verlangens, het streven naar temporele verwerkelijking van het onverwezenlijkbare is een contradictie van hetgeen de esthetiek beoogt. Fichte stelde dat de absolute waarheid (schoonheid, God) in de mens ligt. Daarmee is dit ultieme streven van nature een niet-sociale daad. A fortiori kan zij dat niet zijn, aangezien het de volmaakt individuele contemplatie is van de zoekende mens. In die zin heeft zij niets uit te staan met wat er buiten dat domein ligt. De lustmoordenaar, de beul, zij zijn slechts najagers van hun persoonlijke bevrediging, die helaas maar al te vaak op de samenleving wordt geprojecteerd. Met esthetiek heeft dit niets te maken, met maatschappelijke verwerpelijkheid des te meer.